Een verzekeraar die aansprakelijkheid afwijst geeft een standpunt, geen eindoordeel. Zo beoordeel je de motivering, het bewijs en je vervolgstappen.

Aansprakelijkheid niet erkend bij letselschade: wat kun je doen?
← Terug naar inzichten

Een afwijzing is een standpunt, geen eindoordeel

Je hebt een ongeval meegemaakt en daarbij letsel opgelopen. Misschien kun je tijdelijk niet werken, maak je extra kosten of merk je dat je inkomen terugloopt. Je stelt de verantwoordelijke partij aansprakelijk en verwacht vervolgens dat de schade wordt geregeld. Dan komt er een brief van de verzekeraar waarin staat dat de aansprakelijkheid voor je letselschade niet wordt erkend.

Dat kan behoorlijk hard aankomen. Zeker wanneer voor jouw gevoel duidelijk is wat er is gebeurd en waarom de ander verantwoordelijk is voor het ongeval. Toch betekent het feit dat de aansprakelijkheid niet wordt erkend niet automatisch dat je geen recht hebt op schadevergoeding. Een afwijzing is in eerste instantie het juridische standpunt van de wederpartij of diens verzekeraar. Dat standpunt kan onjuist zijn, worden aangevuld of na nieuw bewijs alsnog veranderen.

In letselschadezaken kan over verschillende onderdelen discussie ontstaan. Soms betwist de wederpartij hoe het ongeval is gebeurd. In een andere zaak staat het ongeval vast, maar stelt de verzekeraar dat je zelf gedeeltelijk verantwoordelijk bent. Ook kan discussie ontstaan over het verband tussen het ongeval en je klachten, of over de vraag of een werkgever voldoende veiligheidsmaatregelen heeft genomen.

Dat maakt het belangrijk om een afwijzing niet te lezen als een simpel “nee”. Kijk vooral waarom de aansprakelijkheid niet wordt erkend, welke feiten aan dat standpunt ten grondslag liggen en of die argumentatie juridisch standhoudt.

In onze praktijk hebben wij verschillende zaken behandeld waarin de aansprakelijkheid aanvankelijk werd afgewezen, maar later alsnog werd erkend. In dit artikel leggen we uit hoe dat kan, welke regels daarbij belangrijk zijn en wat je kunt doen wanneer een verzekeraar de aansprakelijkheid voor je letselschade niet erkent.

Waarom wordt aansprakelijkheid voor letselschade niet erkend?

Een verzekeraar kan om uiteenlopende redenen besluiten de aansprakelijkheid niet of slechts gedeeltelijk te erkennen. Dat hoeft niet te betekenen dat de verzekeraar ontkent dat er überhaupt een ongeval heeft plaatsgevonden. Vaak zit de discussie juist in een specifiek onderdeel van de zaak.

Een veelvoorkomende reden is dat partijen anders verklaren over de toedracht. Jij stelt bijvoorbeeld dat een automobilist geen voorrang verleende, terwijl de andere bestuurder verklaart dat jij onverwacht de weg opreed. Zonder onafhankelijk bewijs ontstaat dan een discussie over wat daadwerkelijk is gebeurd.

Ook eigen schuld speelt regelmatig een rol. De wederpartij kan erkennen dat zij een fout heeft gemaakt, maar tegelijkertijd stellen dat jouw eigen gedrag aan het ontstaan of de omvang van de schade heeft bijgedragen. Op grond van artikel 6:101 BW kan de schade dan onder omstandigheden tussen partijen worden verdeeld. Dat betekent niet dat een door de verzekeraar genoemd percentage automatisch juist is.

Daarnaast kan de verzekeraar het causaal verband betwisten. Dat gebeurt bijvoorbeeld wanneer je na een verkeersongeval langdurige nek-, rug-, hoofd- of concentratieklachten houdt, terwijl op een scan geen duidelijke afwijking zichtbaar is. De verzekeraar kan dan erkennen dat zijn verzekerde het ongeval heeft veroorzaakt, maar betwisten dat alle klachten en schade die je claimt daadwerkelijk een gevolg van dat ongeval zijn.

Bij een arbeidsongeval kan weer een heel andere discussie ontstaan. De werkgever kan stellen dat voldoende veiligheidsmaatregelen zijn getroffen of dat je zelf bewust roekeloos hebt gehandeld. Bij een ongeval door een slechte weg kan discussie bestaan over de vraag of daadwerkelijk sprake was van een gebrek waarvoor de wegbeheerder aansprakelijk is.

De formulering “aansprakelijkheid niet erkend” zegt daarom op zichzelf nog weinig. De motivering achter de afwijzing bepaalt wat er vervolgens moet gebeuren.

Aansprakelijkheid niet erkend na een arbeidsongeval

Een arbeidsongeval is een goed voorbeeld van een situatie waarin de juridische aansprakelijkheid anders kan liggen dan je op het eerste gezicht zou verwachten. Een werkgever kan bijvoorbeeld zeggen dat je zelf een veiligheidsvoorschrift hebt genegeerd of een handeling hebt verricht die niet de bedoeling was. Daarmee is nog niet gegeven dat de werkgever niet aansprakelijk is.

De wettelijke regeling voor werkgeversaansprakelijkheid staat in artikel 7:658 BW. Daarin is bepaald dat een werkgever de werkplek, werktuigen en gereedschappen veilig moet inrichten en onderhouden en maatregelen en aanwijzingen moet geven die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat werknemers tijdens hun werkzaamheden schade lijden.

Heeft een werknemer tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden schade geleden, dan is de werkgever in beginsel aansprakelijk, tenzij hij kan aantonen dat hij aan die zorgplicht heeft voldaan of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Dat is een wezenlijk andere regeling dan de gewone discussie over eigen schuld op grond van artikel 6:101 BW.

De zorgplicht gaat verder dan alleen waarschuwen

Werkgevers denken soms dat een instructie voldoende is: “Je mag daar niet komen”, “je moet eerst deze machine uitschakelen” of “je moet altijd beschermingsmiddelen dragen”. Een waarschuwing of instructie kan belangrijk zijn, maar daarmee heeft een werkgever niet per definitie aan zijn zorgplicht voldaan.

De vraag is wat in de concrete werksituatie redelijkerwijs nodig was om het gevaar te voorkomen. Soms is een duidelijke werkinstructie voldoende. In een andere situatie moet een machine technisch worden beveiligd, moet een gevaarlijke ruimte worden afgesloten of moet toezicht worden gehouden. Ook de ervaring van een werknemer speelt een rol. Van een nieuwe of onervaren werknemer kan niet zonder meer hetzelfde veiligheidsbewustzijn worden verwacht als van iemand die jarenlang dezelfde werkzaamheden verricht.

Dat is ook logisch. Veiligheidsregels bestaan juist omdat mensen fouten maken. Wanneer iedere menselijke fout automatisch zou betekenen dat de werkgever niet aansprakelijk is, zou de zorgplicht voor een belangrijk deel haar betekenis verliezen.

Bewuste roekeloosheid wordt niet zomaar aangenomen

Een werkgever of verzekeraar beroept zich bij een afwijzing van aansprakelijkheid soms op roekeloos gedrag. Juridisch is het echter belangrijk om onderscheid te maken tussen onvoorzichtig handelen en bewuste roekeloosheid.

Een belangrijk arrest hierover is Pollemans/Hoondert van de Hoge Raad van 20 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2142. In die zaak ging het om een werknemer die tijdens werkzaamheden op een dak ernstig letsel opliep nadat hij op een plek was gekomen waar hij niet mocht komen. De Hoge Raad maakte duidelijk dat voor bewuste roekeloosheid niet voldoende is dat achteraf kan worden vastgesteld dat een werknemer gevaarlijk heeft gehandeld. De werknemer moet zich onmiddellijk voorafgaand aan het ongeval daadwerkelijk bewust zijn geweest van het roekeloze karakter van zijn gedrag.

Dat maakt de drempel aanzienlijk hoger dan alleen: de werknemer wist dat dit eigenlijk niet mocht.

Praktijkzaak: gevaarlijke stoffen en een schadevergoeding van €64.000

Een zaak die wij behandelden laat goed zien waarom een eerste afwijzing van aansprakelijkheid niet altijd standhoudt. Het ging om een beginnende werknemer die van zijn werkgever mondeling te horen had gekregen dat hij een bepaalde ruimte met gevaarlijke stoffen niet mocht betreden. Tijdens het dollen met een collega kwam hij uiteindelijk toch in die ruimte terecht. Hij verloor daar zijn bewustzijn en liep door blootstelling aan de gevaarlijke stoffen schade aan zijn longen op.

De werkgever probeerde onder de aansprakelijkheid uit te komen door het gedrag van de werknemer als roekeloos te bestempelen. Op het eerste gezicht lijkt daar misschien iets voor te zeggen: de werknemer had immers gehoord dat hij de ruimte niet mocht betreden. Daarmee was de juridische discussie echter niet afgelopen.

Het ging om een ruimte waarvan de werkgever wist dat daarin stoffen aanwezig waren die ernstig letsel konden veroorzaken. Bovendien ging het om een beginnende werknemer. Alleen mondeling zeggen dat hij daar niet mocht komen, was in die omstandigheden onvoldoende om ieder risico weg te nemen.

De werkgever had verdergaande maatregelen kunnen treffen. Zo had de ruimte afgesloten kunnen worden, had de deur op slot gekund, hadden duidelijke waarschuwingen of fysieke afzettingen kunnen worden geplaatst en had de werknemer intensiever begeleid kunnen worden. Het risico was voorzienbaar en relatief eenvoudig verder te beperken.

De aansprakelijkheid is uiteindelijk alsnog aanvaard. De zaak is afgesloten met een schadevergoeding van ongeveer €64.000. Het interessante aan zo’n zaak is dat de werknemer feitelijk wel degelijk iets deed wat niet de bedoeling was. Dat betekende alleen nog niet dat de werkgever daarmee automatisch van zijn wettelijke verantwoordelijkheid was bevrijd.

Praktijkzaak: brandwonden bij een cv-installatie

Een vergelijkbare discussie ontstond bij een 23-jarige werknemer die als assistent-cv-monteur bij een technisch bedrijf werkte. Hij kreeg van zijn teamleider de opdracht om een cv-installatie los te koppelen. Tijdens het ontkoppelen kwam plotseling een grote hoeveelheid heet water onder druk uit het systeem. De werknemer werd in zijn gezicht en op zijn borst geraakt, liep ernstige brandwonden op en moest per ambulance naar het ziekenhuis worden gebracht.

De verzekeraar wees de aansprakelijkheid aanvankelijk af. Volgens de werkgever was de werknemer eerder verteld dat hij vóór het loskoppelen moest controleren of nog druk op de installatie stond. Volgens de verzekeraar was zijn eigen gedrag daarom voldoende reden om aansprakelijkheid af te wijzen.

Ook hier moest echter breder worden gekeken. Het ging om een assistent die niet dezelfde ervaring en zelfstandigheid had als een ervaren monteur. Bovendien was bekend dat het bij eerdere werkzaamheden al eens mis was gegaan. Dan ontstaat de vraag of een mondelinge instructie voldoende was, of dat de werkgever juist meer toezicht had moeten organiseren.

Had de teamleider zelf moeten controleren of de installatie drukloos was? Had een assistent deze werkzaamheden zelfstandig mogen uitvoeren? Waren er technische of organisatorische maatregelen mogelijk waarmee het ongeval voorkomen had kunnen worden?

Na ons verweer werd de aansprakelijkheid alsnog erkend. De zaak werd uiteindelijk afgesloten met een schadevergoeding van ongeveer €57.000.

Aansprakelijkheid niet erkend na een verkeersongeval

Bij verkeersongevallen ontstaat eveneens regelmatig discussie over aansprakelijkheid. Soms lijkt de situatie eenvoudig, bijvoorbeeld wanneer een stilstaande auto van achteren wordt aangereden. Maar zelfs dan kan de andere partij omstandigheden aanvoeren waardoor zij meent niet of slechts gedeeltelijk aansprakelijk te zijn.

Bij andere verkeersongevallen is de situatie vanaf het begin ingewikkelder. Denk aan een ongeval op een kruispunt, discussie over voorrang, een rijstrookwisseling, een uitwijkmanoeuvre of een ongeval waarbij meerdere verkeersdeelnemers betrokken zijn.

Juist daarom zijn bewijsstukken zo belangrijk. Het Europees schadeformulier, foto’s van de voertuigen en de plaats van het ongeval, verklaringen van getuigen, dashcambeelden, camerabeelden en politiegegevens kunnen uiteindelijk bepalen welke lezing van het ongeval aannemelijk is.

Een kop-staartbotsing is niet altijd zonder discussie

Een van onze cliënten reed met haar gezin binnen de bebouwde kom toen een verkeerslicht op oranje sprong. Zij remde. Een auto die achter haar reed, botste vervolgens tegen de achterkant van haar voertuig. De achterkant van haar auto raakte zwaar beschadigd. Haar kinderen bleven gelukkig ongedeerd, maar zijzelf hield forse nekklachten aan het ongeval over.

De verzekeraar van de achteropkomende bestuurder erkende de aansprakelijkheid niet. Volgens de wederpartij had onze cliënt onverwacht en hard geremd voor het oranje verkeerslicht. De andere bestuurder zou ervan zijn uitgegaan dat zij zou doorrijden.

Dat standpunt hebben wij betwist. Een achteropkomende bestuurder moet rekening houden met verkeerssituaties waarin een voorganger remt en voldoende afstand houden om daarop te kunnen reageren. Dat geldt bij uitstek in de buurt van verkeerslichten. Uiteindelijk is de aansprakelijkheid in deze zaak alsnog vastgesteld.

Dit voorbeeld laat zien waarom je zelfs bij een ogenschijnlijk duidelijke kop-staartbotsing niet moet aannemen dat een verzekeraar de aansprakelijkheid automatisch zal erkennen. De feitelijke omstandigheden blijven van belang.

Eigen schuld betekent niet automatisch dat je niets krijgt

Een veelvoorkomende reden waarom aansprakelijkheid niet volledig wordt erkend, is dat de verzekeraar stelt dat je zelf aan het ontstaan van het ongeval hebt bijgedragen.

Daarvoor is artikel 6:101 BW van belang. Wanneer schade mede het gevolg is van een omstandigheid die aan het slachtoffer kan worden toegerekend, kan de vergoedingsplicht worden verminderd. Eerst wordt gekeken in welke mate de gedragingen van beide partijen aan de schade hebben bijgedragen. Vervolgens kan de billijkheid aanleiding geven om tot een andere verdeling te komen.

Stel bijvoorbeeld dat een verzekeraar 40% aansprakelijkheid erkent en 60% van de schade voor jouw rekening wil laten. Dat percentage staat niet vast alleen omdat het in een brief van de verzekeraar staat. De feitelijke en juridische onderbouwing daarvan moet worden beoordeeld.

Bij ernstig letsel kunnen enkele tientallen procentpunten bovendien enorme financiële gevolgen hebben. Wanneer de totale schade €200.000 bedraagt, maakt het een verschil van €40.000 of 60% dan wel 80% wordt vergoed.

Daarom moet bij gedeeltelijke erkenning niet alleen worden gekeken naar de positieve boodschap dat aansprakelijkheid is erkend, maar ook naar welk percentage wordt erkend en waarom.

Fietsers en voetgangers hebben extra bescherming

Bij aanrijdingen tussen een motorvoertuig en een fietser of voetganger gelden bijzondere beschermingsregels. De achtergrond daarvan is dat fietsers en voetgangers aanzienlijk kwetsbaarder zijn dan deelnemers aan het gemotoriseerde verkeer.

Voor volwassen fietsers en voetgangers is de zogenoemde 50%-regel ontwikkeld. Wanneer de eigenaar of houder van het motorvoertuig aansprakelijk is en de fietser of voetganger zelf ook een fout heeft gemaakt, komt in beginsel ten minste 50% van de schade voor rekening van de zijde van het motorvoertuig, tenzij sprake is van de relevante uitzonderingssituaties.

De Hoge Raad formuleerde deze bescherming onder meer in IZA/Vrerink, HR 28 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0526. Daarin werd bepaald dat, als overmacht niet aannemelijk is gemaakt en wel sprake is van een fout van de fietser of voetganger, zonder opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid, ten minste 50% van de schade voor rekening van het motorrijtuig komt.

Belangrijk is dat de beoordeling daar niet ophoudt. Na toepassing van de 50%-regel moet nog worden bekeken of de gedragingen van de automobilist of de billijkheid aanleiding geven om méér dan 50% van de schade te vergoeden. Een verzekeraar die het bij precies 50% houdt, heeft die tweede stap niet altijd gemaakt.

Wanneer kan een automobilist zich op overmacht beroepen?

Een beroep op overmacht slaagt niet eenvoudig. In ABP/Winterthur, HR 22 mei 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0616, overwoog de Hoge Raad dat voor overmacht vereist is dat de bestuurder ter zake van zijn verkeersgedrag rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Met fouten van andere verkeersdeelnemers hoeft alleen geen rekening te worden gehouden wanneer die fouten zo onwaarschijnlijk waren dat de bestuurder daarop redelijkerwijs niet bedacht hoefde te zijn.

Een verzekeraar die na een aanrijding met een fietser of voetganger simpelweg stelt dat het slachtoffer zelf een verkeersfout heeft gemaakt, is er dus nog niet.

Kinderen jonger dan veertien jaar

Voor kinderen jonger dan veertien jaar geldt een nog verdergaande bescherming: de zogenoemde 100%-regel. De eigenaar van het motorvoertuig is tegenover het kind in beginsel volledig aansprakelijk, ook wanneer het ongeval in overwegende mate door het kind zelf is veroorzaakt. De uitzondering betreft opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid van het kind.

Deze bijzondere bescherming is ontwikkeld in rechtspraak zoals HR 1 juni 1990, Ingrid Kolkman/Nationale-Nederlanden, en HR 31 mei 1991, Marbeth van Uitregt. In latere rechtspraak is bevestigd dat juist uit deze arresten de 100%-regel voor kinderen jonger dan veertien voortvloeit.

Juist bij kwetsbare verkeersdeelnemers is het daarom verstandig om een afwijzing van aansprakelijkheid juridisch te laten beoordelen. De gewone redenering dat je zelf een fout hebt gemaakt en dus niets krijgt, gaat hier lang niet altijd op.

Wat als een gebrekkige weg het ongeval veroorzaakt?

Niet ieder verkeersongeval wordt veroorzaakt door een andere verkeersdeelnemer. Een slecht onderhouden of gevaarlijk ingerichte weg kan eveneens een rol spelen.

Denk aan een diep gat in het wegdek, een gevaarlijke verzakking, ontbrekende afscherming of een situatie waarin een weggebruiker onvoldoende voor een bijzonder gevaar wordt gewaarschuwd. Onder omstandigheden kan dan aansprakelijkheid van de wegbeheerder aan de orde zijn, waarbij onder andere artikel 6:174 BW relevant kan zijn.

Maar ook hier geldt: een gebrek betekent niet automatisch aansprakelijkheid. Er moet worden gekeken naar de toestand die je onder de gegeven omstandigheden van de weg mocht verwachten, de ernst en kenbaarheid van het gevaar, de kans dat daardoor een ongeval zou ontstaan en de maatregelen die redelijkerwijs van de wegbeheerder konden worden verlangd.

Bewijs is bij dit soort zaken extra belangrijk. Maak daarom zo snel mogelijk foto’s of video’s van de situatie. Een gat kan worden gerepareerd, een bord kan later worden geplaatst en een gevaarlijke situatie kan binnen enkele dagen volledig veranderd zijn. Wanneer je letsel hebt opgelopen door een mogelijk gebrek aan de weg, leg dan niet alleen je letselschade vast maar ook de toestand van de weg op het moment van het ongeval.

Aansprakelijkheid niet erkend bij een inzittendenverzekering

Niet ieder letselschadedossier draait om aansprakelijkheid van een andere verkeersdeelnemer. Je kunt ook bij een eenzijdig verkeersongeval ernstig letsel oplopen.

Stel dat je tijdens slecht weer de macht over het stuur verliest, van de weg raakt en ernstig gewond raakt. Wanneer geen andere partij het ongeval heeft veroorzaakt, kun je je schade in beginsel niet op een andere automobilist verhalen. Toch kan er dekking bestaan onder je eigen verzekering.

Daarom is het belangrijk om na een ongeval te controleren of op het voertuig een schadeverzekering inzittenden (SVI) of ongevallenverzekering inzittenden (OVI) van toepassing is. Bij een SVI wordt, afhankelijk van de polisvoorwaarden, gekeken naar de daadwerkelijk geleden schade. Een OVI werkt anders en keert doorgaans een vooraf vastgesteld bedrag uit bij een in de polis omschreven gebeurtenis, bijvoorbeeld blijvende invaliditeit of overlijden.

De polisvoorwaarden zijn uiteindelijk bepalend. Algemene uitspraken zoals “een SVI betaalt altijd alles” of “bij alcohol is er nooit dekking” zijn daarom te absoluut. Verzekeraars hanteren verschillende voorwaarden, dekkingen en uitsluitingen.

Praktijkzaak: verzekeraar vermoedt fraude na een eenzijdig ongeval

In januari 2018 behandelden wij een zaak van een cliënt die kort daarvoor een schadeverzekering inzittenden had afgesloten. Vier dagen na het afsluiten van de verzekering kreeg hij tijdens winters weer een eenzijdig verkeersongeval. Hij reed ongeveer 20 km/u boven de geldende maximumsnelheid, verloor de controle over zijn voertuig en botste tegen de vangrail. Daarbij liep hij letselschade op.

De verzekeraar stelde vervolgens vragen bij het ongeval. Niet alleen werd een beroep gedaan op roekeloosheid vanwege de snelheid, ook het feit dat het ongeval slechts vier dagen na het afsluiten van de verzekering plaatsvond werd aangegrepen om vraagtekens te zetten bij de omstandigheden van de claim. Er werd zelfs gesproken over opzet en mogelijke fraude.

Alleen de korte periode tussen het afsluiten van een verzekering en een ongeval kan vanzelfsprekend niet bewijzen dat een ongeval opzettelijk is veroorzaakt. Ook het enkele feit dat iemand harder rijdt dan toegestaan maakt nog niet automatisch dat geen dekking bestaat. De exacte polisvoorwaarden en de omstandigheden van het ongeval moeten worden beoordeeld.

In deze zaak hebben wij bovendien een deskundige ingeschakeld. Uit technisch onderzoek volgde dat cliënt waarschijnlijk ook bij een snelheid van ongeveer 90 km/u de controle over het voertuig zou zijn verloren.

Na ontvangst van het onderzoek wijzigde de verzekeraar zijn standpunt. Er werd eerst een voorschot van €15.000 verstrekt. Uiteindelijk is het dossier afgesloten met een totale schadevergoeding van ongeveer €150.000. Een groot deel van die schade bestond uit verlies aan inkomsten als zelfstandige.

De financiële gevolgen van een niet-erkende aansprakelijkheid

Een discussie over aansprakelijkheid is niet alleen een juridische kwestie. Zeker bij ernstiger letsel kunnen de financiële gevolgen al ontstaan terwijl partijen nog discussiëren over de vraag wie uiteindelijk moet betalen.

Wanneer je werknemer bent, kan gedurende een periode sprake zijn van loondoorbetaling. Voor zelfstandigen is die bescherming vaak veel beperkter. Als je als zzp’er door een ongeval nog maar de helft van je normale werkzaamheden kunt uitvoeren, kan dat vrijwel onmiddellijk gevolgen hebben voor je inkomen.

Tegelijkertijd lopen veel uitgaven gewoon door. Je huur of hypotheek moet worden betaald, evenals verzekeringen, energie, boodschappen en andere vaste lasten. Een ondernemer kan daarnaast zakelijke verplichtingen hebben, zoals leasecontracten, bedrijfshuur, personeel of lopende abonnementen. Daarom kan verlies aan verdienvermogen een van de grootste schadeposten in een letselschadezaak worden.

Het is verstandig financiële stukken vanaf het begin zorgvuldig te bewaren. Denk aan belastingaangiften, jaarrekeningen, omzetgegevens, agenda’s, offertes, reeds geplande opdrachten, contracten en correspondentie met klanten. Hoe beter zichtbaar is hoe je financiële situatie vóór het ongeval was en wat daarna is veranderd, hoe beter de schade later kan worden onderbouwd.

Wanneer aansprakelijkheid geheel of gedeeltelijk wordt erkend en voldoende duidelijk is dat je schade hebt geleden, kan daarnaast worden geprobeerd een voorschot op de letselschade te verkrijgen. Daarmee hoeft niet te worden gewacht totdat ieder onderdeel van de totale schade definitief is vastgesteld.

Welk bewijs is belangrijk als aansprakelijkheid wordt betwist?

Wanneer de aansprakelijkheid niet wordt erkend, kan de kwaliteit van het bewijs uiteindelijk doorslaggevend zijn. Het grootste probleem is dat relevant bewijs vaak juist in de eerste periode na een ongeval het gemakkelijkst beschikbaar is.

Denk bijvoorbeeld aan camerabeelden van een bedrijf, woning of winkel. Zulke beelden worden regelmatig na enkele dagen of weken automatisch overschreven. Een getuige weet direct na een ongeval nog precies wat hij heeft gezien, maar zal zich een jaar later minder details herinneren. Ook een gevaarlijke werkplek of beschadigde weg kan kort na het ongeval zijn aangepast.

Welke stukken belangrijk zijn verschilt per zaak, maar je kunt onder andere denken aan:

  • foto’s en video’s van de plaats van het ongeval
  • foto’s van voertuigen, machines of andere betrokken voorwerpen
  • camerabeelden en dashcambeelden
  • namen en contactgegevens van getuigen
  • het Europees schadeformulier
  • politiegegevens of een proces-verbaal
  • e-mails, WhatsApp-berichten of andere correspondentie over het ongeval
  • medische informatie
  • bij arbeidsongevallen: werkinstructies, veiligheidsprotocollen, de RI&E, incidentmeldingen en gegevens over toezicht
  • bij inkomensschade: jaarstukken, loonstroken, belastingaangiften en omzetgegevens

Schrijf daarnaast kort na het ongeval voor jezelf zo nauwkeurig mogelijk op wat er is gebeurd. Dat lijkt misschien overbodig wanneer het incident nog vers in je geheugen zit, maar een letselschadezaak kan jaren duren. Details die nu vanzelfsprekend lijken, kunnen later lastig te reconstrueren zijn.

Wat kun je doen als aansprakelijkheid niet wordt erkend?

Als je een afwijzing ontvangt, is het verstandig om eerst precies vast te stellen welk onderdeel van je claim wordt afgewezen. Soms wordt aansprakelijkheid volledig ontkend. In andere gevallen accepteert de verzekeraar wel dat zijn verzekerde een fout heeft gemaakt, maar wordt een percentage eigen schuld aangevoerd. Ook kan aansprakelijkheid zijn erkend terwijl vervolgens discussie ontstaat over het verband tussen het ongeval en een deel van je klachten.

Vraag daarom om een duidelijke en schriftelijke motivering wanneer die ontbreekt. Vergelijk vervolgens de feiten die de verzekeraar noemt met je eigen lezing van het ongeval en met het beschikbare bewijs. Een afwijzing kan bijvoorbeeld zijn gebaseerd op de verklaring van de verzekerde terwijl er camerabeelden bestaan die iets anders laten zien.

Daarna moet de juridische grondslag worden gecontroleerd. De regels bij een arbeidsongeval zijn immers anders dan bij een botsing tussen twee auto’s, een aanrijding met een fietser of een ongeval door een gebrek aan de weg. Een argument dat in de ene situatie juridisch relevant is, kan in een andere situatie nauwelijks betekenis hebben.

Wanneer het standpunt niet klopt, kan daarop gemotiveerd worden gereageerd. Dat betekent meer dan alleen schrijven dat je het met de verzekeraar oneens bent. De relevante feiten, bewijsstukken, wettelijke bepalingen en zo nodig jurisprudentie moeten worden gekoppeld aan de reden waarom de aansprakelijkheid volgens jou alsnog moet worden erkend.

Soms is één aanvullend bewijsstuk voldoende. In andere zaken is technisch, medisch of ander deskundigenonderzoek nodig. De hierboven besproken zaak over de inzittendenverzekering is daarvan een goed voorbeeld: het technische onderzoek veranderde de bewijspositie wezenlijk.

Blijft de wederpartij aansprakelijkheid afwijzen, dan kan uiteindelijk een rechter worden gevraagd om over het geschil te oordelen. In letselschadezaken kan onder omstandigheden een deelgeschilprocedure worden gebruikt om een afgebakend geschilpunt te laten beslissen zonder direct een volledige bodemprocedure te voeren. Welke route geschikt is, hangt af van het dossier en de aard van de discussie.

Een afwijzing hoeft niet het einde van je letselschadezaak te zijn

Wanneer een verzekeraar schrijft dat de aansprakelijkheid niet wordt erkend, kan dat voelen alsof de zaak daarmee is afgelopen. Juridisch hoeft dat helemaal niet zo te zijn.

De voorbeelden in dit artikel laten dat ook zien. Bij het ongeval met gevaarlijke stoffen werd het gedrag van de werknemer aanvankelijk gebruikt om aansprakelijkheid af te wijzen, terwijl uiteindelijk ongeveer €64.000 werd vergoed. In de zaak van de assistent-cv-monteur werd een beroep gedaan op zijn eigen handelen, maar werd na verweer alsnog aansprakelijkheid erkend en ongeveer €57.000 vergoed. In de zaak van de inzittendenverzekering ontstond zelfs discussie over roekeloosheid, opzet en fraude, terwijl uiteindelijk ongeveer €150.000 aan schade werd vergoed.

Dat betekent natuurlijk niet dat iedere afgewezen letselschadezaak alsnog wordt gewonnen. Iedere zaak is anders en aansprakelijkheid moet uiteindelijk uit de feiten, het bewijs en de toepasselijke rechtsregels volgen. Maar het betekent wel dat je een afwijzing niet zonder meer als definitief hoeft te beschouwen.

Wanneer de aansprakelijkheid voor je letselschade niet wordt erkend, is de belangrijkste vraag waarom dat gebeurt. Is de feitelijke toedracht verkeerd beoordeeld? Ontbreekt er bewijs? Wordt ten onrechte een beroep gedaan op eigen schuld? Heeft een werkgever werkelijk aan zijn zorgplicht voldaan? Of gebruikt een verzekeraar een juridische grond die in jouw situatie niet opgaat?

Pas wanneer die vragen zijn beantwoord, kun je beoordelen hoe sterk de afwijzing daadwerkelijk is. Heb je een brief ontvangen waarin een verzekeraar of andere wederpartij de aansprakelijkheid voor je letselschade niet erkent? Laat de afwijzing en de beschikbare stukken dan beoordelen, zodat duidelijk wordt welke argumenten worden aangevoerd, welke juridische regels op jouw situatie van toepassing zijn en welke mogelijkheden er bestaan om de aansprakelijkheid alsnog geheel of gedeeltelijk erkend te krijgen.

Contact

Een juridische vraag?

Vertel ons wat er speelt.

Bespreek jouw zaak